Ideale type beschrijving

De Nederlandse Sabelpootkriel – eerst even goed kijken, dan pas beginnen

Ben je je aan het oriënteren op kippen in de tuin? Dan is het goed om te weten dat je bij de Nederlandse sabelpootkriel niet alleen naar een plaatje kijkt, maar echt even moet leren kijken naar het dier zelf. En dat maakt deze hobby juist zo leuk.

Het is bijna niet mogelijk om een ras goed te beoordelen op alleen een beschrijving. Daarom zie je in de praktijk dat liefhebbers vooral veel leren door te kijken: op tentoonstellingen, bij fokkers en door dieren rustig met elkaar te vergelijken. Eén goede blik zegt vaak meer dan duizend woorden.

De Nederlandse sabelpootkriel is een compact, levendig kipje met een opvallend karakter. Denk aan een brede, goed gevormde kop met een helderrode kam, een korte gebogen snavel en fijne, goed afgeronde lellen. De ogen zijn helder en levendig, en de hals is kort maar rijk bevederd, wat het dier zijn typische uitstraling geeft.

Het lichaam is gedrongen en stevig gebouwd, met een mooi gedragen borst en goed gesloten vleugels. De staart is vol en evenwichtig, en ook de poten zijn een echt kenmerk: rijk bevederd, waardoor het dier echt “op veren” lijkt te lopen.

Wat belangrijk is om te begrijpen: niet alle kleurslagen zijn historisch hetzelfde opgebouwd en dat zie je soms nog terug in kleine verschillen binnen het ras. Dat is geen probleem, maar juist onderdeel van de ontwikkeling van de hobby door de jaren heen.

Voor wie net begint, is dat allemaal nog niet het belangrijkste. Het gaat er vooral om dat je plezier hebt in het houden van een paar kippen, dat je leert kijken naar gezonde dieren en dat je stap voor stap het ras beter leert begrijpen. Het echte inzicht komt vanzelf als je vaker dieren ziet en ervaringen opdoet bij andere liefhebbers.

Wil je je verder verdiepen? Dan is het bezoeken van tentoonstellingen een mooie volgende stap. Daar leer je niet alleen hoe het ras wordt beoordeeld, maar zie je ook hoe verschillend dieren kunnen zijn binnen hetzelfde type.

Kort gezegd: de sabelpootkriel is een prachtig, traditioneel ras met veel details om in te ontdekken. Maar het mooiste begint gewoon thuis – met een paar kippen, nieuwsgierigheid en plezier in de hobby.

Lees hieronder verder over meer inhoudelijke kenmerken traditioneel van de Nederlandse Sabelpootkriel

Het is onmogelijk om alleen aan de hand van een beschrijving een goed oordeel over de kwaliteit van een dier te vellen. Om die reden wordt in dit hoofdstuk dan ook het ideaaltype van een haan en een hen afgebeeld, dat de tekst zeker zal verduidelijken. Daarnaast heeft bijgevoegd document onlangs in Kleindiermagazine gestaan, waarin kort en bondig diverse eigenschappen van de Nederlandse Sabelpootkriel zijn beschreven. Sabelpootclub

Een oud Chinees spreekwoord zegt immers: één afbeelding kan meer zeggen dan duizend woorden.

Niettemin doet een ieder die zich goed wil oriënteren, er het beste aan om regelmatig op tentoonstellingen een studie te maken van de dieren en de beschrijvingen daarvan op de beoordelingskaarten .

Als algemeen voorkomen kan het volgende gelden:

Middelgrote vrij brede kop, voorzien van een evenredig grote-en fijn van weefsel zijnde- helderrode rechtopstaande kam. De kam moet regelmatig, liefst 5-puntig, zijn getand. (Zie afbeelding van de haan).

Onder de vrij korte iets gebogen snavel bevinden zich goed afgeronde, fijn van structuur zijnde, kinlellen die middellang zijn.

De langwerpige, soms enigszins amandelvormige, oorlellen behoren glad en fijn van weefsel te zijn. Liefst rood of rood met beperkt, wit er in.

De oogkleur dient voor alle kleurslagen scherp oranje-rood tot hoogstens roodbruin te zijn.

De kop wordt gedragen op een niet te lange hals, die vol bevederd moet zijn. Hoewel de halsveren niet zo bol mogen uitstaan als de manenvormige bevedering bij Ukkelse en Antwerpse baardkrielen (behalve dan enigszins bij de baardvormige variateit) is toch een rijke bevedering vereist.

Het lichaam is breed en gedrongen; naar achteren smaller wordend met een flink naar voren gedragen borst, waarvan de ronding vríj hoog dient te beginnen, doorlopend naar een diep gedragen achterdeel, dat weer voorzíen moet zijn van een tamelijk volle donspartij .

De vleugels moeten groot en lang zijn. Aan de onderzijde min of meer rustend tegen de gierhakken gedragen worden. Zij mogen echter niet de grond raken. Aan de bovenzijde, samen met de romp, een goed stel afgeronde schouders vormend.

De middelgrote staart zowel bij haan als hen dient goed gespreid gedragen te worden. Bij de haan zijn de grote sikkelveren breed, sabelvormig gebogen in een fraaie punt uitlopend tot ca 2 à 4 cm voorbíj de staartstuurveren. Zij dienen niet sikkelvormig te zijn. De stevige benen zijn middellang en rijk bevederd,bestaande uit: de gierhakken: lange, stijve, goed gesloten,in het benedendijbeen ingeplante, schuin naar beneden gedragen veren, aan de punt binnenwaarts gebogen en bijna de grond rakend.

de voetveren: langs het gehele loopbeen en de buiten en middenteen;moeten flink van lengte, fraai aaneengesloten en dusdanig ingeplant zijn dat het dier als het ware op cirkelsegmenten van een rond voetstuk staat (zie tekening) .

Men moet bedenken dat niet alle kleurslagen dezelfde oorsprong hebben. De oudste kleur is de porseleinkleur en daaruit komt niet vanzelf zwart voort.

Dit geldt ook voor blauw, parelgrijs en wit.

Vooral de tweede wereldoorlog heeft het aantal raszuivere dieren dusdanig doen inkrimpen (en daarmee ook een aantal kleurslagen doen verdwijnen) dat men wel gedwongen was om kruisingen door te voeren.

Dat is er de oorzaak van dat de enkelkleurigen meestal iets lager op de benen staan dan de porseleinkleurigen.

Dit danken zij ongetwijfeld aan inkruising met andere voetbevederde rassen, zoals Cochins.

Wat de blauwe kleurslag betreft – een herkreatie van de laatste jaren — zal de oorzaak mogelijk gezocht moeten worden bij de kruising met Japanse krielen.

Ook te donkere oogkleur en afwijkende pootkleur zal veelal aan vreemd bloed toegeschreven moeten worden.

De vroeger vaak hooggestelde roodwit en geparelden, tegenwoordig onder één kleurslag erkend,te weten okerwit porselein. zijn ontstaan door inkruising van een ras dat het dominant gen voor wit voerde. Dit ras zal verantwoordelijk zijn voor deze te hoge stelling.

Door nadien toegepaste paringen met porseleinkleurigen, vertonen zij thans soms zelfs een beter type dan de porseleinkleurigen.

De binnenkort mogelijk weer voor het voetlicht tredende koekoekkleurige dieren zullen de eerste jaren ook nog wel met de hiervoor aangehaalde foutjes behept zijn.

De keurmeester houdt rekenin met dergelijke invloeden, maar kan uiteraard niet alles accepteren.

Ook hier geldt dat het type het ras maakt. Hoe moeilijk dit ook kan zijn voor bepaalde kleurslagen, de fokker zal altijd als eerste vereiste het gewenste type moeten nastreven.

Klik hieronder op de knoppen om nog meer over de Nederlandse Sabelpootkriel te weten te komen